Pasen is het feest waarop christenen gedenken dat Jezus Christus is opgestaan uit de dood. Het woord hangt samen met het woord 'Pascha', dat in het Oude Testament gebruikt wordt om een joods feest aan te duiden. Het woord houdt verband met het werkwoord 'voorbijgaan'. De Farao van Egypte liet de Israëlieten pas gaan nadat een engel het oudste kind van elk gezin van zijn volk had gedood. Huizen waarvan op de deurposten het bloed van lammeren was gesmeerd, was de engel 'voorbijgegaan'. Voortaan werd ieder jaar het Paschafeest gevierd als herdenking van de bevrijding uit de slavernij. Met de komst van Jezus krijgt het Pascha een nieuwe betekenis. Jezus is voor zijn volgelingen hét Paaslam, het 'Lam voor ons geslacht'. Dat wordt herdacht op Goede Vrijdag. De offers die in de tijd vóór Jezus in de tempel werden gebracht, waren een heenwijzing naar zijn zelfopoffering aan het kruis. Jezus Christus gaf zijn leven voor mensen, maar stierf niet als een dode held. Op de derde dag stond Hij op uit de dood en overwon daarmee dood en satan. Dat vieren christenen in het bijzonder met Pasen, maar feitelijk ook op elke eerste dag van de week, de zondag, als zij samenkomen.

Links